voorspellen
Wygląd
voorspellen (język niderlandzki)
[edytuj]- wymowa:
- ⓘ
- znaczenia:
czasownik słaby, nierozdzielnie złożony, przechodni
- (1.1) przewidywać
- (1.2) zwiastować
czasownik słaby, rozdzielnie złożony, przechodni
- (2.1) literować
- odmiana:
- (1.1-2) voorspellen (voorspelt), voorspelde, heeft voorspeld
deelwoord onvoltooid voorspellend voltooid voorspeld indicatief persoon onvoltooid voltooid tegenwoordige tijd ik voorspel heb voorspeld jij (je) voorspelt hebt voorspeld u voorspelt hebt voorspeld gij (ge) voorspelt hebt voorspeld hij
zij (ze)
hetvoorspelt heeft voorspeld wij (we) voorspellen hebben voorspeld jullie zij (ze) verleden tijd ik voorspelde had voorspeld jij (je) u gij (ge) hadt voorspeld hij
zij (ze)
hethad voorspeld wij (we) voorspelden hadden voorspeld jullie zij (ze) tegenwoordige
toekomende tijdik zal voorspellen zal voorspeld hebben jij (je) zal voorspellen
zult voorspellenzal voorspeld hebben
zult voorspeld hebbenu zal voorspellen
zult voorspellenzal voorspeld hebben
zult voorspeld hebbengij (ge) zult voorspellen zult voorspeld hebben hij
zij (ze)
hetzal voorspellen zal voorspeld hebben wij (we) zullen voorspellen zullen voorspeld hebben jullie zij (ze) verleden
toekomende tijdik zou voorspellen zou voorspeld hebben jij (je) zou voorspellen
zult voorspellenzou voorspeld hebben u zou voorspellen
zoudt voorspellenzou voorspeld hebben
zoudt voorspeld hebbengij (ge) zoudt voorspellen zoudt voorspeld hebben hij
zij (ze)
hetzou voorspellen zou voorspeld hebben wij (we) zouden voorspellen zouden voorspeld hebben jullie zij (ze) conjunctief taal tegenwoordige tijd verleden tijd enkelvoud voorspelle voorspelde meervoud voorspellen voorspelden imperatief jij (je) voorspel jullie voorspel - (2.1) voorspellen (spelt voor), spelde voor, heeft voorgespeld
deelwoord onvoltooid voorspellend voltooid voorgespeld indicatief persoon onvoltooid voltooid tegenwoordige tijd ik spel voor heb voorgespeld jij (je) spelt voor hebt voorgespeld u spelt voor hebt voorgespeld gij (ge) spelt voor hebt voorgespeld hij
zij (ze)
hetspelt voor heeft voorgespeld wij (we) spellen voor hebben voorgespeld jullie zij (ze) verleden tijd ik spelde voor had voorgespeld jij (je) u gij (ge) hadt voorgespeld hij
zij (ze)
hethad voorgespeld wij (we) spelden voor hadden voorgespeld jullie zij (ze) tegenwoordige
toekomende tijdik zal voorspellen zal voorgespeld hebben jij (je) zal voorspellen
zult voorspellenzal voorgespeld hebben
zult voorgespeld hebbenu zal voorspellen
zult voorspellenzal voorgespeld hebben
zult voorgespeld hebbengij (ge) zult voorspellen zult voorgespeld hebben hij
zij (ze)
hetzal voorspellen zal voorgespeld hebben wij (we) zullen voorspellen zullen voorgespeld hebben jullie zij (ze) verleden
toekomende tijdik zou voorspellen zou voorgespeld hebben jij (je) zou voorspellen
zult voorspellenzou voorgespeld hebben u zou voorspellen
zoudt voorspellenzou voorgespeld hebben
zoudt voorgespeld hebbengij (ge) zoudt voorspellen zoudt voorgespeld hebben hij
zij (ze)
hetzou voorspellen zou voorgespeld hebben wij (we) zouden voorspellen zouden voorgespeld hebben jullie zij (ze) conjunctief taal tegenwoordige tijd verleden tijd enkelvoud spelle voor spelde voor meervoud spellen voor spelden voor imperatief jij (je) spel voor jullie spel voor
- przykłady:
- składnia:
- synonimy:
- antonimy:
- hiperonimy:
- hiponimy:
- holonimy:
- meronimy:
- wyrazy pokrewne:
- rzecz. voorspelling ż
- przym. voorspelbar, voorspelbaar
- związki frazeologiczne:
- etymologia:
- uwagi:
- źródła: