huilen
Wygląd
huilen (język niderlandzki)
[edytuj]- znaczenia:
czasownik
- odmiana:
- (1.1-3) huilen (huilt), huilde, heeft gehuild
deelwoord onvoltooid huilend voltooid gehuild indicatief persoon onvoltooid voltooid tegenwoordige tijd ik huil heb gehuild jij (je) huilt hebt gehuild u huilt hebt gehuild gij (ge) huilt hebt gehuild hij
zij (ze)
hethuilt heeft gehuild wij (we) huilen hebben gehuild jullie zij (ze) verleden tijd ik huilde had gehuild jij (je) u gij (ge) hadt gehuild hij
zij (ze)
hethad gehuild wij (we) huilden hadden gehuild jullie zij (ze) tegenwoordige
toekomende tijdik zal huilen zal gehuild hebben jij (je) zal huilen
zult huilenzal gehuild hebben
zult gehuild hebbenu zal huilen
zult huilenzal gehuild hebben
zult gehuild hebbengij (ge) zult huilen zult gehuild hebben hij
zij (ze)
hetzal huilen zal gehuild hebben wij (we) zullen huilen zullen gehuild hebben jullie zij (ze) verleden
toekomende tijdik zou huilen zou gehuild hebben jij (je) zou huilen
zult huilenzou gehuild hebben u zou huilen
zoudt huilenzou gehuild hebben
zoudt gehuild hebbengij (ge) zoudt huilen zoudt gehuild hebben hij
zij (ze)
hetzou huilen zou gehuild hebben wij (we) zouden huilen zouden gehuild hebben jullie zij (ze) conjunctief taal tegenwoordige tijd verleden tijd enkelvoud huile huilde meervoud huilen huilden imperatief jij (je) huil jullie huil
- przykłady:
- antonimy:
- hiperonimy:
- hiponimy:
- holonimy:
- meronimy:
- wyrazy pokrewne:
- związki frazeologiczne:
- etymologia:
- uwagi:
- źródła: