aanbellen
Wygląd
aanbellen (język niderlandzki)
[edytuj]- znaczenia:
czasownik słaby, rozdzielnie złożony
- odmiana:
- (1.1) aanbellen (belt aan), belde aan, heeft aangebeld
deelwoord onvoltooid aanbellend voltooid aangebeld indicatief persoon onvoltooid voltooid tegenwoordige tijd ik bel aan heb aangebeld jij (je) belt aan hebt aangebeld u belt aan hebt aangebeld gij (ge) belt aan hebt aangebeld hij
zij (ze)
hetbelt aan heeft aangebeld wij (we) bellen aan hebben aangebeld jullie zij (ze) verleden tijd ik belde aan had aangebeld jij (je) u gij (ge) hadt aangebeld hij
zij (ze)
hethad aangebeld wij (we) belden aan hadden aangebeld jullie zij (ze) tegenwoordige
toekomende tijdik zal aanbellen zal aangebeld hebben jij (je) zal aanbellen
zult aanbellenzal aangebeld hebben
zult aangebeld hebbenu zal aanbellen
zult aanbellenzal aangebeld hebben
zult aangebeld hebbengij (ge) zult aanbellen zult aangebeld hebben hij
zij (ze)
hetzal aanbellen zal aangebeld hebben wij (we) zullen aanbellen zullen aangebeld hebben jullie zij (ze) verleden
toekomende tijdik zou aanbellen zou aangebeld hebben jij (je) zou aanbellen
zult aanbellenzou aangebeld hebben u zou aanbellen
zoudt aanbellenzou aangebeld hebben
zoudt aangebeld hebbengij (ge) zoudt aanbellen zoudt aangebeld hebben hij
zij (ze)
hetzou aanbellen zou aangebeld hebben wij (we) zouden aanbellen zouden aangebeld hebben jullie zij (ze) conjunctief taal tegenwoordige tijd verleden tijd enkelvoud belle aan belde aan meervoud bellen aan belden aan imperatief jij (je) bel aan jullie bel aan
- składnia:
- synonimy:
- antonimy:
- hiperonimy:
- hiponimy:
- holonimy:
- meronimy:
- wyrazy pokrewne:
- związki frazeologiczne:
- etymologia:
- uwagi:
- źródła: